BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Elke Geurts
Lees voor 🔊
Elke Geurts 
Eerste Kerstdag


Een paar weken na de dood van opa, belde ik oma Huubers op om haar uit te nodigen voor eerste kerstdag, ik zou speciaal voor haar pasteitjes met ragout maken en een chocoladetaart met kersenlikeur.
   Ze zei: ‘Zeg maar tegen je moeder dat ik dood ben. Dat begrijpt ze nog wel. Dood is dood. Daar kan ze niets anders van maken.’
   ‘Maar je bent niet dood.’
   ‘En jij zoekt maar een andere oma.’
   ‘Ik wil geen andere oma.’
   ‘Een oma die dichterbij woont is sowieso veel handiger.’
   ‘Maar ik wil jou...’
   ‘Je bent dertien, je bloedt al, je hebt geen oma meer nodig.’
   ‘Ik bloed niet.’
   ‘Nou ja, ik ben in elk geval dood en begraven. Dat moet dan wel voor jullie alledrie gelden.’
   De laatste keer dat ik haar zag, was tijdens de begrafenisdienst van opa. Ik had zo ontzettend de slappe lach gekregen dat ik halverwege de mis de kerk uit gezet werd door de pastoor en iedereen. Ze noemden mij een storend element en het schandaal van de familie.
   ‘Het spijt me zo, oma. Ik beloof je dat ik nooit meer zal lachen.’
   ‘Zeg maar tegen je moeder dat mijn begrafenis in besloten kring heeft plaatsgevonden.’
   ‘En daar horen wij niet bij?’
   ‘Nee,’ zei oma. En toen snel: ‘Nee, nee, nee.’
    Ik kon even niets zeggen.
   ‘Je hebt nu trouwens een van je ooms aan de lijn,’ zei ze. ‘Anders kan het niet, hè?’
   ‘O, die leven nog wel?’
   ‘Ja, wat dacht je. Je ooms willen jullie gewoon niet meer zien en dat willen ze ook echt niet. Daar is niets van gelogen.’
   ‘Maar jij wil mij nog wel zien, toch?’
   ‘Ik ben dood, ik wil niets meer.’
   ‘O.’
   ‘Het zou al te gek zijn als de hele familie in een keer gestorven was. Dat gelooft geen hond.’
   ‘Mama misschien wel.’
   Oma lachte. ‘Je ooms hebben ook heel wat met hun zuster te stellen gehad,’ zei ze toen. ‘Alle aandacht is altijd naar haar gegaan. Dat ik haar na de eerste bloeding niet meteen heb laten steriliseren, heb ik mezelf mijn hele leven niet vergeven.’
   ‘En nu?’
   ‘Nu wel.’
   ‘Hoe ben je gestorven, oma?’
   ‘Hoe?’
   ‘Als ze ernaar vragen.’
   ‘Weet ik het. Ik trof zo’n gevaarlijke gek bij de supermarkt, denk ik. Zo’n eenzame idioot.’
   ‘Neergeschoten dus.’
   ‘Geschoten of gestoken. Wat doen ze meestal? Wat is normaal?’
   ‘Weet ik niet.’
   ‘Doe maar wat je wil.’
   ‘Ik wil het allebei niet.’
   ‘Zal je goed voor je moeder zorgen, Erica?’
   ‘Ja.’
   ‘Ik ben blij dat ik daar vanaf ben zeg, die zorgen. De wereld is niet goed voor zulke mensen. Het spookte dag en nacht door mijn hoofd: hoe moet het met mijn dochter als ik er niet meer ben.’
   ‘Nu ben je er niet meer.’
   ‘Nee, gek eigenlijk hè?’
   ‘Ja.’
   ‘Ik ben van alles af. Ik kan het zelf ook haast niet geloven, weet je dat?’
   ‘Het komt voor mij nogal onverwacht.’
   ‘De dood komt altijd onverwacht. Maar gelukkig ben jij er. Die vader van jou, die professor, is al net zo’n flapdrol.’
   ‘Wil je me weer terug als ik goed voor haar zorg, oma? Heb ik het dan weer goedgemaakt?’
   ‘Nu ik dood ben, moet jij de last van mij overnemen. Zo gaan de dingen in het leven, Erica.’
   ‘Ik wil niet dat het zo gaat.’
   ‘Ik wil ook nog genieten of gun je me dat niet? Ik ben drieënzestig. Ik heb altijd voor je moeder gezorgd, voor je opa, voor jou, de hele wereld. Is het dan nooit genoeg? Ik ben moe. Je moet je – voor de lol – eens één keer in mij inleven. Of is dat te veel moeite?’
   ‘Nee, nee, nee.’
   ‘Ik ben er ook nog en mijn tijd gaat nu in.’
   ‘Sorry, oma.’
   Nadat ze had opgehangen, zat ik nog een tijd met de telefoon aan mijn oor. Ik luisterde naar de kiestoon alsof ik daar wijzer van zou worden. Ik had gewoon ‘dag oma’ gezegd. Oma’s laatste woorden waren: ‘Ik weet dat jij het wel zult redden zonder mij. Jij bent sterk. Jij hebt niemand nodig, je bent niet voor niks mijn grote klein­dochter.’
   Haar stem klonk aardig, niet alsof ik alles verpest had en ook niet alsof het echt haar laatste woorden waren.
   Het was vreemd. Een beetje belachelijk. Welke oma meldde nou aan de telefoon dat ze dood was? Misschien was dit humor? Waarschijnlijk was dit typisch een grapje. Ik begreep dat nooit, ik had geen gevoel voor humor. Bij ons thuis was niemand grappig. Omdat ik wel meer niet begreep in het leven, zweeg ik er verder maar over.

En als het geen eerste kerstdag was geworden – we zaten aan een feestelijk gedekte tafel te wachten met de pasteitjes en de chocoladetaart, de kaarsjes brandden, het zag er knus uit, al zeg ik het zelf –, zou ik het er nooit meer over hebben gehad. Dan zou ik het bizarre telefoongesprek helemaal vergeten zijn.
   ‘Gezellig,’ zei mijn vader.
   ‘Ja,’ zei ik.
   ‘Waar wachten we nog op?’
   Omdat ik het feest voor mijn ouders niet wilde verpesten, bleef ik tijdens het diner glimlachend tussen hen inzitten en zag de flakkerende vlammetjes in hun ogen. Tot mijn moeder het mes pakte en dat midden in het glazuur stak. Het barstte. Ik vocht tegen mijn tranen. Maar dat zagen ze niet. Moeder sneed. Haar mond een stukje open. Het was geen snijden, ze zaagde. Ik keek naar de langzame ineenstorting van de zwarte taart.
   Tegen tienen ’s avonds, de tafel was allang weer afgedekt, riep ze ineens: ‘Nou, volgens mij komt die niet meer.’ Ze lag op de bank in de zilverkleurige jurk die ik op internet voor haar uitgezocht had. Het stond best goed als je haar bovenbenen even wegdacht, als je haar even helemaal wegdacht.
   ‘Dat kan ook helemaal niet,’ zei ik. ‘Oma is neergeschoten. O, had ik jullie dat nog niet verteld?’ Mijn moeder bleef naar de televisie turen.
   ‘Wat zei je, Erica?’ Mijn vader zat achter zijn laptop en keek op. Hij droeg een veel te grote blouse, zwart met oranje vlammen erop. Het accentueerde zijn magerheid en de vergroeiing van zijn ruggenwervel. Ik moest nodig nieuwe overhemden voor hem bestellen. Zonder opdruk, dat zag ik nu ook. Vlammen waren leuk, maar mijn vader verdroeg geen opdruk.
   ‘O, niks.’
   ‘Wel waar! Ze zegt dat mam dood is,’ riep mijn moeder, ‘neergeschoten, zei ze.’
   Ze was iemand die in haar eigen kleine wereld leefde. Ze wist niet wat zich er buiten allemaal afspeelde. Als je mensen met automerken vergelijkt is mijn moeder een Canta volgens mijn vader en hijzelf een Jaguar.
   ‘Ja, in de winkel is ze geraakt. Door zo’n eenzame idioot, weet je wel, die dan ineens in het wilde weg begint te schieten.’
   ‘Vreemd. Daar heb ik niets over gehoord of gelezen in de krant,’ zei hij.
   ‘O, maar het is al een paar weken geleden gebeurd,’ zei ik. ‘Toen er plotseling overal van die gevaarlijke gekken opdoken. Als sneeuwklokjes in de lente. Maar nu zijn die allemaal weer weg.’
   ‘Merkwaardig verhaal,’ zei mijn vader.
   ‘Ik wilde jullie niet nog meer verdriet bezorgen,’ zei ik. ‘Ik wilde de kerststemming niet verzieken. Maar dat is zeker mislukt.’
   Toen hij oma’s nummer intoetste, nam er niemand op.
   ‘Nummerherkenning,’ zei ik zacht. En: ‘Ze willen daar eerlijk gezegd allemaal niets meer met ons te maken hebben.’ Mijn moeder begon te huilen.
   ‘Jij mag je moeder niet zo van streek maken,’ zei mijn vader.
   ‘Sorry,’ zei ik. ‘Voor alles.’


Voorgelezen door Molly van Scherpenberg voor Bulkboek


#AnnoAuteursVanNu
#Categorie1NederlandseSchrijvers
#Lesniveau**3**
#ThemaKerstverhalen
#MetVerdiepingsvragen

De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.