BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Gerda Blees
Lees voor 🔊
[Een moderne road-story waarin de onderlinge relaties tussen twee jonge mannen en een jonge vrouw de hoofdrol spelen.]

     Gerda Blees (1985)
     Naar het Oosten


Op de derde dag zegt Maarten: ‘Als je me niet nu die appel geeft dan sterf ik. En dat meen ik.’
   Nu, denkt Anne.
   Martijn weet niet wat hij denkt.
   Maarten is degene die zo nodig met een auto naar het oosten moest. ‘Laten we om te beginnen Oost-Europa zeggen,’ zei hij, ‘maar misschien wordt het uiteindelijk wel Rusland of Vietnam.’
   Maarten kon de auto van zijn moeder lenen, hij wou meteen gaan rijden, wat Martijn wel prima vond, maar Anne kon niet weg omdat ze nog een coschap moest afmaken. Maarten en Martijn kunnen altijd, wat misschien de reden is waarom ze vrienden zijn, maar andersom kan ook.
   Ze zijn vertrokken op een vrijdag, ze rijden om de beurt, behalve Anne, die haar rijbewijs heeft thuisgelaten. Naar het oosten, in een zo recht mogelijke lijn, en inmiddels zijn ze ver genoeg om te ontdekken dat er delen van de wereld zijn waar nog zoiets als zondagsrust bestaat en waar je dus beter niet op zaterdagavond door je voedselvoorraad heen kunt zijn. Maarten rijdt, Martijn zit naast hem met de laatste appel in zijn hand te twijfelen of hij hem zal weggeven en Anne kijkt ernaar vanaf de achterbank, haar knieën hoog opgetrokken, haar armen om haar blote benen.
   Martijn en Anne, wat een uitzonderlijk fantasieloze jarentachtignamen zijn dat eigenlijk. Jullie ouders zouden er een prijs voor moeten krijgen,’ zei Maarten op de avond dat hij Anne en Martijn aan elkaar had voorgesteld, op een huisfeest bij Martijn.
   ‘Alsof Maarten zo origineel is,’ antwoordde Martijn.
   ‘Dat is wat anders. Maarten is klassiek, tijdloos. Ik ben een tijdloos persoon. Ik zal altijd dezelfde blijven, hoe oud jullie ook worden. Ooit zullen jullie dat begrijpen.’
   Nu, denkt Anne, nu, nu, nu. Later zal ze zich herinneren hoe ze nu ‘nu, nu, nu’ denkt. Dat heeft ze uit het boek dat ze probeert te lezen; dat er eigenlijk alleen dit moment is en geen eerder en geen later, dat het verleden en de toekomst alleen maar in je hoofd bestaan. Nu schiet er een lantaarnpaal voorbij, nu nog een, nu een wegwijsbord met uitgeveegde letters. Nu, netwerken van zwarte takken in een waas van lentegroen. Nu schijnt de zon.
   Nu zit hij nog op de bestuurdersstoel, zijn rechtervoet op het gaspedaal gedrukt, zijn ogen op de heuvelige weg, zijn linkerhand aan het stuur en de rechter opgehouden naar Martijn, die nog steeds de appel vasthoudt, omdat hij hem voor zichzelf gepakt had, omdat hij honger heeft, omdat het de laatste is en waarom zou hij hem dan nu aan Maarten geven, zeker nu er blijkbaar iets gebeurd is toen Martijn de bosjes in was om te plassen bij de laatste stop, nu het erop lijkt dat maarten iets gezegd heeft tegen Anne, of nog erger, iets met haar gedaan, waardoor ze nu nog dieper in zichzelf verdwenen is, niets meer lijkt te horen en geen woord meer heeft gesproken sinds ze weer zijn gaan rijden.
   ‘Martijn,’ zegt Maarten, ‘ik ben verliefd op je. En dat meen ik.’
   En deze keer meent hij het echt, en Anne zit achterin en denkt: de driehoek, de perfecte driehoek waarin iedereen in deze ruimte evenveel en even uitzichtloos wordt liefgehad. Maar in het nu bestaat het uitzicht niet, je moet de toekomst loslaten, ze heeft het zelf gelezen, als je vrij wilt zijn van lijden, laat de tijd dan los, en Anne slikt haar voorgevoelens door, zakt wat verder onderuit, haar knieën tegen Maartens rugleuning geklemd, en concentreert zich op de schommelende lijnen tussen de verlichtingsmasten hoog boven de weg.
   ‘Tien,’ zegt Maarten hard, veel harder dan noodzakelijk, alsof hij dronken is, ‘negen.’ Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd.
    ‘Ik meen het, Martijn. Ik hou van je. Ik zei het net nog tegen Anne. Acht. Toch, Anne?’
    ‘Hm,’ zegt Anne, wat voor Martijn van alles kan betekenen, maar waarschijnlijk houdt het in dat ze het niet gehoord heeft en nog steeds met haar gedachten ergens anders is, zodat Martijn helemaal alleen moet zien te achterhalen of Maarten echt van hem houdt, en zo ja, in welke zin, en hoezo hij sterft als hij hem niet nu die appel geeft, en of dit niet allemaal één grote grap is, want Martijn leeft helemaal niet in het nu, hij leeft om ongemakkelijke en onduidelijke situaties zoals deze in de toekomst te voorkomen, en daartoe leert hij graag van het verleden, waar redenen genoeg zijn om te denken dat hij nu in de zeik genomen wordt door Maarten.
   Maarten mindert vaart. ‘En als je ook verliefd op mij bent, geef je me die appel. En als je niet op me verliefd bent, omdat je misschien wel op iemand anders verliefd bent, op Anne bijvoorbeeld, dan moet je hem maar aan haar geven, of hem zelf opeten. maar dan…’ – dramatische pauze, vinger in de lucht – ‘… zal ik sterven. Zeven.’
   En later zal Anne terugdenken aan dit moment en zal ze zichzelf voorhouden dat het niet bestaat, dat alleen het nu bestaat, zonder Maarten en Martijn, zonder dolgedraaide kilometerteller, zonder appel, zonder alle achteraf zo onmiskenbare verschijnselen, zonder de gedachte dat er iemand moet ingrijpen en dat zij die iemand is.
   ‘Zes,’ zegt Maarten en daarna komen vijf tot en met twee, dan één, driekwart, een half, een kwart, een achtste, een zestiende, een tweeëndertigste, dan nog een lange pauze en ten slotte nul, en de hele tijd houdt Martijn zijn ogen strak op het scheefhangende deurtje van het dashboardkastje gericht en doet alsof het hem ontgaat dat de auto steeds meer vaart verliest en dat Maartens stem begint te bibberen en te kraken, zodat de één-grote-grap-hypothese met de seconde aan waarschijnlijkheid verliest. ‘Oké,’ maarten kucht. ‘Oké, Martijn. dat wist ik eigenlijk ook wel hoor, dat je op Anne verliefd was. Dat heb ik ook tegen haar gezegd toen jij aan het plassen was. Ik zei tegen Anne, wat leuk dat je verliefd op me bent, maar Martijn is verliefd op jou, dus hij zou het vast niet leuk vinden als wij iets met elkaar zouden beginnen, snap je? maar ik ben blij dat ik het nu zeker weet, Martijn, dat we het nu allemaal eerlijk hebben gezegd, ook al heb jij natuurlijk weer eens niets gezegd, maar ik bedoel dat het me nu wel duidelijk is. Alleen is het nog steeds zo dat ik elk moment kan sterven als ik niet heel snel iets eet. Dus je mag je appel anders ook wel aan me geven als je niet verliefd op me bent. Om mijn leven te redden zeg maar. Als je niet wilt dat ik doodga. maar dan moet je hem dus wel nu geven.’ 
   En na deze openbaring over Anne moet Martijn wel zelf zijn tanden in de appel zetten, ook al heeft hij er eigenlijk geen trek meer in.
   ‘Of geef me anders een snoepje,’ zegt Maarten. ‘Anne?’ Hij kijkt haar aan via de achteruitkijkspiegel, zijn voorhoofd is weer helemaal bezweet. ‘heb jij nog iets te eten?’
   Maar ze hebben alles opgegeten wat ze hadden meegenomen. En Martijn kan niet meer denken, zich niet meer afvragen waar die angst in Maartens stem vandaan komt, alleen maar happen in de appel, kauwen, slikken, happen, op zijn wang bijten, de smaak van bloed negeren, zich verslikken, hoesten, happen, kauwen, slikken en tot slot het klokhuis uit het raam gooien, half op de tast, want kijken gaat niet echt met die tranerige ogen.
   En dan zet Maarten de auto in de berm om van stoel te ruilen met Martijn, omdat hij elk moment het bewustzijn kan verliezen, zegt hij, en hij wil Martijn en Anne niet met zich meenemen de dood in, dat is zijn bedoeling niet. Zijn gezicht is bleek en onbewogen, laat geen enkele emotie zien, maar Anne ziet zijn handen trillen als hij – met zijn laatste krachten denkt ze later – de hoofdsteun van zijn stoel op de juiste hoogte stelt en de rugleuning zo ver mogelijk naar achter zet om rustig in te kunnen slapen, alles zonder Anne aan te kijken, zodat ze zich altijd zal blijven afvragen wanneer hij haar voor het laatst recht in de ogen keek.
   ‘Anders gaan we straks even de snelweg op, dan kopen we wat bij een benzinepomp,’ zegt ze nog.
   ‘Te laat,’ zegt Maarten met zijn ogen dicht. ‘Iemand in deze auto had mijn leven kunnen redden, maar hij heeft het niet gedaan. Helaas.’
   En later zal Anne denken: hij was gestoord, er zat een steekje bij hem los, of hij kon op dat moment al niet normaal meer denken door de veel te lage suikerwaardes in zijn bloed. Maar dan nog, welke gek houdt voor zijn beste vrienden verborgen dat hij suikerziekte heeft? Maarten, die niet bestaat, die tijdloos is. Hij wil naar Oost-Europa, Hij verklaart de liefde aan Martijn en sterft, hij zet zijn stoel naar achteren en zegt: ‘Ik zal zo wel wegraken, maak me maar niet wakker, dan sterf ik vanzelf. Ik ben blij dat jullie erbij kunnen zijn om afscheid van me te nemen. Jij ook, Anne. Ik ben blij dat jij wel van me houdt. Dat is een hele troost. En dat meen ik.’


Voorgelezen door Johanna Hagen, voor UitgelezenVerhalen.nl

#AnnoAuteursVanNu
#Categorie1NederlandseSchrijvers
#Lesniveau***4*
#MetVerdiepingsvragen

De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.