BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Giovanni Boccaccio
Lees voor 🔊
[Een van de ‘licht erotische’ verhalen uit de Decamerone, de Middeleeuwse raamvertelling waarin de spot werd gedreven met priesters en gezagsdragers.] 

     Bocaccio (1313 –1375)
     De nonnen en de tuinman
     (uit: De Decamerone)


'Groot is, schoonste aller maagden, de dwaasheid van vele mannen en vrouwen, die vast overtuigd zijn, dat een jong meisje, zodra zij de witte kap opgezet en het nonnenkleed aangetogen heeft, ophoudt vrouw te zijn en - als ware zij door het aantrekken van haar kloostergewaad eensklaps in een zoutpilaar veranderd - alle begeerlijkheid des vlezes aflegt. Als zij iets vernemen dat deze veronderstelling logenstraft, winden zij zich daarover op, als gold het een vreselijke, tegennatuurlijke misdaad; zonder te bedenken, hoezeer zij zelf - ondanks hun volledige vrijheid van handelen - met hun zinnelijke lusten moeten kampen, of rekening te houden met de sterke prikkel van ledigheid en eenzaamheid. Daarnevens zijn er velen, die menen dat bijl en schop, grove kosten een zorgelijk bestaan de landarbeiders enerzijds immuun maken tegen wulpse neigingen; anderzijds hun verstand en hun onderscheidingsvermogen afstompen. 
Dat dezulken zich schromelijk vergissen, zou ik - ingevolge de wens onzer vorstin en blijvend binnen .het door haar getrokken kader - met een korte geschiedenis willen illustreren.' 

Niet ver van hier was - en is nog - een nonnenklooster, dat in de reuk van onaantastbare heiligheid staat; noemen zal ik het niet, om deze reputatie niet te schaden. Ettelijke jaren geleden werkte daar, op een ogenblik dat het klooster - behalve de abdis - niet meer dan een achttal nog jonge begijntjes herbergde, als tuinman in het zeer fraaie park een braaf manneke. 
   Niet tevreden over zijn salaris, keerde hij - na een vruchteloos gesprek met de huismeester - naar zijn woonplaats Lamporecchio terug. Onder degenen, die hem na zijn thuiskomst kwamen begroeten, was een jonge stoere arbeider met de naam Masetto: voor een dorpsjongen waarlijk een knappe verschijning. 
Op zijn vraag, waar Nuto (zo heette de tuinman) al die tijd geweest was en wat hij voor de kost had gedaan, antwoordde deze: 'Ik moest een mooie grote kloostertuin bewerken, af en toe naar het bos om hout te hakken, water halen en allerlei andere werkjes opknappen; maar ze gaven me zo'n klein salaris, dat ik er nauwelijks mijn laarzen van kon betalen. Bovendien zijn de nonnetjes daar allemaal nog jong en lijken ze wel de duivel in 't lijf te hebben; nooit kon ik het ze naar de zin maken. Als ik in de tuin werkte, regende het de godganse dag aanmerkingen: poot dat daar; neen, dat moet je hier planten! Een ander griste me de bijl uit de handen met de woorden: dat doe je niet goed ... Ze zaten zo op me te hakken, dat ik er de brui aan gaf en de tuin uitliep. Alles bij mekaar genomen wou ik niet langer blijven, en zo ben ik dan weer hier. De huismeester heeft me, toen ik wegging, nog gevraagd of ik - als ik soms iemand anders wist - die wou sturen. Ik heb ja gezegd, maar hij kan wachten tot hij een ons weegt, eer ik iemand voor hem opscharrel.' 
   De woorden van Nuto wekten bij Masetto een vurige begeerte om met die begijntjes kennis te maken en ook maakte hij eruit op, dat het hem niet veel moeite zou kosten om het baantje te krijgen, als hij maar niets van zijn voornemen liet merken. Daarom zei hij: 'Schoon gelijk! Wat doet een man ook bij al die vrouwen; met duivels zou je nog beter kunnen opschieten: zes van de zeven keer weten ze zelf niet wat ze willen.' 
Maar nadat hij afscheid van Nuto had genomen, begon hij zich te beraden, hoe hij het moest aanleggen om in het klooster te worden toegelaten. Hij was niet bang, dat hij het werk niet aankon en de zaak daarop zou stranden, maar hij vreesde, dat de prior van zo'n struise jonge kerel niets zou moeten hebben. Na langdurige overpeinzingen kwam hij op het denkbeeld, te doen alsof hij stom was; dan zouden ze hem, meende hij, zeker aannemen. Bovendien was het klooster ver genoeg weg om hem geen kans te doen lopen, dat iemand hem daar zou kennen. 
   Zo gedacht, zo gedaan: hij hing zich een bijl om de hals, trok een schunnig pakje aan en begaf zich, zonder iemand iets te zeggen, op weg naar het klooster. Daar aangekomen, ging hij de poort binnen en liep op de binnenplaats de huismeester tegen het lijf. Met de bij doofstommen gebruikelijke gebaren beduidde hij hem, dat hij honger had en dat hij bij het hout hakken wilde helpen. Gastvrij gaf de huismeester de stumper te eten, waarna hij hem een paar boomstronken aanwees, die Nuto had laten zitten; het duurde niet lang, of de oersterke kerel had ze klein gekregen. Nu nam de baas hem mee naar het bos om hout te kappen, waarna hij hem een ezel voor zijn neus pootte en hem met gebaren beduidde, dat hij het vrachtje op het dier moest laden en ermee naar het huis rijden. Hij kweet zich zo uitnemend van zijn taak, dat de huismeester hem enige dagen liet blijven om allerlei achterstallige karweitjes op te knappen. 
   Op een gegeven ogenblik zag de abdis Masetto lopen en vroeg wie die man was; de huismeester antwoordde: 'Mevrouw, dat is een arme drommel; hij is doofstom en een paar dagen geleden kwam hij hier een aalmoes vragen. 
   Ik heb hem wat te eten gegeven en hem daarna een paar werkjes laten opknappen, die hoognodig moesten gebeuren. Als hij de tuin kan bewerken en blijven wil, moesten wij hem, dunkt mij, maar houden: we hebben iemand nodig, hij is sterk en wij zouden hem voor alles kunnen gebruiken. 
Bovendien zou u zich geen zorgen behoeven te maken, dat hij de zustertjes aan de praat houdt.' 
   'Waarachtig,' antwoordde de abdis, 'je hebt gelijk. Tracht uit te vinden of hij goed kan werken en probeer hem dan maar hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij en goede kost en, als je hem dan een beetje honing om de mond smeert, zal het wel lukken.' 
   De huismeester beloofde, dat hij aldus zou handelen. Masetto, die vlakbij was en quasi de binnenplaats stond aan te vegen, hoorde met genoegen het gesprek aan en dacht: als ik hier maar eerst ingeburgerd ben, dan zal ik jullie tuintje wel eens bewerken zoals het nog nooit gebeurd is. 
   Alras kwam de huismeester tot de overtuiging, dat Masetto een prima arbeider was: door gebarentaal vroeg hij of de man ervoor voelde om te blijven en deze gaf op dezelfde wijze te kennen, dat hij tot alles bereid was. 
   Hij nam hem dus in dienst en belastte hem met het onderhoud van de tuin, in verband waarmee hij de nodige instructies gaf. Daarna begaf hij zich aan zijn andere bezigheden en liet Masetto zijn eigen gang gaan. 
   Dag in, dag uit was Masetto aan het werk. Weldra begonnen de nonnetjes hem te plagen en voor de mal te houden, zoals men met doofstommen pleegt te doen; ze zeiden de schandelijkste dingen tegen hem, overtuigd dat hij er niets van verstond. De abdis, waarschijnlijk in de mening verkerende dat de man even ongevoelig als stom was, liet ze begaan. 
   Maar op zekere dag, toen Masetto na een lange werkdag wat lag te rusten, kwamen twee begijntjes, die een wandeling in de tuin maakten, naar hem toe en begonnen de jongeman (die zich hield alsof hij sliep) aandachtig te bekijken. Een van de twee, die nogal vrijmoedig was, zei tegen de ander: 
   'Als ik je helemaal kon vertrouwen, zou ik je iets zeggen dat al meermalen bij me is opgekomen, en waar jij misschien ook je voordeel mee kunt doen.' 
   'Zeg het maar gerust,' was het antwoord, 'ik zal er met niemand over praten.' 
   'Heb je er wel eens over nagedacht, hoe klein wij hier gehouden worden en dat er hier nooit een man over de drempel komt, behalve die oude huismeester en deze doofstomme jongen? Van de vriendinnen, die ons hier komen bezoeken, heb ik dikwijls gehoord dat alle genoegens, die een vrouw op haar eentje kan smaken, niets zijn in vergelijking met het plezier dat een man haar kan verschaffen. Daarom ben ik al meer dan eens op de gedachte gekomen of we niet eens, bij gebrek aan beter, met deze hannes de proef konden nemen. Hij zou daar bijzonder geschikt voor zijn, omdat hij - zelfs al zou hij het willen - niets kan oververtellen. Je ziet trouwens wel, dat het een halfgare jongen is, die harder gegroeid is dan zijn verstand. Ik zou wel eens willen weten, wat jij ervan denkt.' 
   'Jeminee,' zei de ander, 'je durft nogal wat te zeggen. Je weet toch dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben gewijd!' 
   'Kom, er worden elke dag zoveel geloftes gedaan, waar niemand zich aan houdt; wat wij beloofd hebben, zullen anderen wel voor ons doen!' 
   'Maar als we nu eens zwanger werden; dan had je de poppen aan het dansen.' 
   'Geen zorgen voor de tijd; als het zover komt, zullen we wel weer verder zien. Er zijn hier zeker genoeg maniertjes om te zorgen, dat niemand er iets van merkt; als wij er zelf maar niet over praten.' 
   De ander was al minstens even nieuwsgierig om te weten, wat voor een beest zo'n man toch wel is; daarom zeiden ze ten slotte: 'Nou, vooruit dan maar; hoe zullen we het aanleggen?' 
   'Het loopt tegen drieën,' was het antwoord; 'de anderen slapen allemaal. We moeten even goed uitkijken, of er niemand in de tuin is; daarna hebben we niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en naar het schuurtje te brengen, waar hij altijd schuilt voor de regen. Dan gaat een van ons tweeën met hem naar binnen, en de ander gaat op de uitkijk staan; hij is zo onnozel, dat hij stellig precies doet wat wij willen.' 
   Masetto had het hele gesprek gehoord; hij was volkomen bereid te doen wat van hem verlangd werd en wachtte op een sein van een der beide nonnetjes. Dezen keken naar alle kanten uit, of iemand ze kon bespieden; daarna kwam degene die het plan beraamd had naar hem toe en wekte hem uit zijn vermeende slaap. 
   In een oogwenk was hij overeind; met een lieftallig gebaar nam zij hem bij de hand en loodste haar stompzinnig grijnzende aspirant-minnaar het schuurtje binnen, waar zij niet al te veel moeite had om hem ertoe te krijgen haar wens te bevredigen. Loyaal maakte zij daarna plaats voor haar vriendin, aan wie Masetto - altijd met het onnozelste gezicht van de wereld - dezelfde dienst bewees. Zij kregen dermate de smaak te pakken, dat het spelletje nog eens moest worden herhaald. 
   Toen zij na afloop onder vier ogen een nabetrachting hielden, bleken zij het erover eens, dat de opgedane ervaring hun stoutste verwachtingen overtroffen had. Voortaan begaven zij zich dan ook geregeld naar hun zwijgende vriend, om zich met hem te vermaken. 
   Maar op een kwade dag zag een van de andere kloosterlingen, uit het raampje van haar cel kijkend, wat zich in de tuin afspeelde. Schielijk haalde zij er nog twee nonnetjes bij; eerst waren ze van plan, de beide booswichten bij de abdis aan te geven, maar weldra kwamen zij tot betere gedachten: ze gooiden het met hun voorgangsters op een akkoordje en deelden voortaan zusterlijk de gunsten van Masetto. En het duurde niet lang, of ook de drie overblijvende begijntjes hadden zich, de een na de ander, bij het gezelschap gevoegd. 

De moeder-overste had nog altijd niets bespeurd van wat er gaande was. 
   Op zekere dag wandelde zij geheel alleen in de tuin; het was snikheet en Masetto - zeer vermoeid, zij het veeleer door zijn nachtelijke besognes dan door de arbeid die hij des daags placht te verrichten - had zich in uiterst luchtige kledij in de schaduw van een amandelboom te slapen gelegd. De wind stoeide met de slippen van zijn baadje en onthulde aan de blikken der priores een schouwspel, dat in haar gemoed dezelfde vlam ontstak, die de ziel van haar schaapjes verteerde. Ziende dat niemand haar bespiedde, wekte zij de slaper en nam hem mee naar haar cel, waar zij hem enige dagen bij zich hield, om de geneugten te smaken, waartegen zij eertijds haar dochters zo nadrukkelijk had gewaarschuwd. Intussen begonnen dezen zich steeds luider te beklagen, dat de tuinman nergens te zien was en zijn plicht zo schromelijk verzaakte. 
   Eindelijk zond de abdis haar minnaar naar zijn eigen verblijf terug: maar telkens opnieuw rekwireerde zij hem en eiste ontegenzeglijk meer dan het haar toekomende deel. Masetto kon onmogelijk langer aan alle aanvragen voldoen en begon in te zien, dat zijn stommetje spelen hem wel eens duur te staan kon komen.    Op een nacht bij de priores vertoevende, verbrak hij eensklaps het stilzwijgen. 'Mevrouw,' sprak hij, 'men zegt, dat een enkele haan best tegen tien hennen is opgewassen, maar dat één vrouw tien mannen te machtig is; ik moet er op m'n eentje negen bedienen, en dat kan ik op den duur niet bijsloffen. Het is dan ook zover gekomen, dat ik er het bijltje bij moet neerleggen: óf u zult me mijn congé moeten geven, óf u moet orde op zaken stellen.' - 
   Toen de abdis haar stom gewaande minnaar hoorde spreken, wist zij niet hoe zij het had. 'Wat betekent dat,' riep zij uit, 'ik dacht dat je stom was!' 
   'Mevrouw,' antwoordde Masetto, 'dat was ik ook, maar mijn stomheid was niet aangeboren, maar het gevolg van een ziekte; en vannacht voelde ik plotseling, dat ik de spraak terugkreeg. God zij duizendmaal geprezen.' 
   Zij trok 's mans woorden niet in twijfel en vroeg hem, hoe het zat met die negen vrouwen, die hij moest bedienen; waarop hij haar de gehele geschiedenis vertelde. Het werd de priores duidelijk, dat geen van de zustertjes onervarener was dan zij zelve; en aangezien zij een verstandige vrouw was, liet zij Masetto niet gaan, maar zon op een plan, dat de nonnetjes tevreden zou stelIen en tevens voorkomen, dat het klooster in opspraak kwam. 
   In die dagen was juist de oude majordomus gestorven. Alle vrouwen staken nu de koppen bij elkaar en bespraken openhartig alles wat er gebeurd was en wat hun nu te doen stond. Na overleg met Masetto werd besloten, dat men de omwonenden in de waan zou brengen, dat de heilige, aan wie het klooster gewijd was, hun dringende smeekbeden had verhoord en Masetto, die zo lang met stomheid geslagen was geweest, de spraak had hergeven. Waarna zij hem tot huismeester benoemden en een rooster van werkzaamheden opstelden, dat hij aankon. 
   Wel werden er in de loop der jaren heel wat kleine kwezelkens en patertjes in de dop geboren, maar alles werd dermate discreet behandeld, dat er niets van uitlekte. Eerst na het overlijden van de abdis, toen Masetto - inmiddels een oude man geworden die er warmpjes bijzat - naar zijn vroegere woonplaats wenste terug te keren, kwam de waarheid aan het licht; weshalve men hem zonder al te veel hartzeer zag vertrekken. 
   Rijk aan jaren, vermogen en kroost (welks opvoeding hem overigens noch moeite noch geld kostte), keerde hij weer naar het dorp, dat hij jaren geleden met enkel een bijl op zijn schouder had verlaten. 
   Met voldoening blikte hij terug op zijn welbesteed leven en dankbaarheid vervulde zijn gemoed jegens de Heer, die - hoewel hij Zijn bruiden had onteerd - hem nochtans Zijn gunst niet had onthouden. 



(Vertaling: A. Schwartz)



#AnnoGoudVanOud
#Categorie4EuropeseSchrijvers
#Lesniveau***4*

Giovanni Boccaccio
Lees voor 🔊
De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.