BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Ischa Meijer
Lees voor 🔊
     Ischa Meijer
     Jongetje


Najaar 1955 voer het stoomschip Cottica van Paramaribo naar Amsterdam. De reis duurde twee weken. Veertien dagen lanterfanten voor een kleine groep passagiers, die grotendeels bestond uit repatrianten, om verschillende redenen terugkerend naar het vaderland, maar allen onzeker, onrustig, verscheurd tussen heimwee en hoopvolle verwachting. Er waren maar een paar kinderen aan boord, van wie ik er één was; twaalf jaar, eigenwijs en bang. Voorts herinner ik me nog dat kleine, enge jongetje. En dan was er dat meisje van veertien, dat altijd zo gek tegen me deed.
   De volwassenen brachten hun tijd voornamelijk door in de bar. Ze waren allemaal verliefd. Wat moest je ermee? Alleen die officier van de landmacht viel wel mee; een goedhartig persoon, die nog wel er eens spelletjes met ons deed. Hij maakte de overtocht als begeleider van twee zwaar gestrafte militairen, soldaten, die als vrijwilligers naar Suriname waren gegaan - wat indertijd diensttijdverkorting betekende, maar zich kennelijk zo hadden misdragen, dat ze per se terug moesten.
   Die twee jongens leefden wel streng gescheiden van de overige passagiers, maar waren niet opgesloten.
   'Dat hoeft niet,' zei de officier tegen me. 'Het is al ellendig genoeg voor ze, dat ze straks in Nederland naar een strafkamp moeten.'
   Wat waren de dagen lang aan boord. Met dat enge jongetje viel niets te beginnen, en wat dat meisje van veertien met mij wilde beginnen, begreep ik niet.
   De kinderen mochten mee-eten met hun ouders, en tegen het eind van de reis werd ons verteld dat we ook aan de zogeheten captainsdiner mochten aanzitten; de slotfestiviteit, tijdens welke gedanst zou worden. Wat een ellende.
   Dat captainsdiner bleek een grote beestenbende van ver­ warde, dronken mensen te zijn. Gegeten werd er nauwelijks. Het enge jongetje, het meisje van veertien en ik zaten sip bij elkaar, in onze mooiste kleren, met een glaasje Coca Cola.
   'Wil je met me dansen?' vroeg het meisje van veertien aan me, met een merkwaardige glinstering in haar ogen.
   'Ik kan niet dansen,' zei ik.
   Ze trok me op de dansvloer, waar het één werveling was van rondtollende idioten. Er werd veel in elkaar gegrepen, aan elkaar gezeten en gezoend.
   Hoe moest je in 's hemelsnaam dansen? Ik greep mijn veertienjarige dame bij het middel en sleurde haar, in een machteloze poging de volwassenen te imiteren, door de massa. We vielen. De muziek hield op. Er klonken verschrikte kreten.
   'Wat heb je nou gedaan?' vroeg de kapitein aan mij, en er klonk een groot verwijt in zijn stem. De zeebonk hielp het meisje overeind.
   'Naar bed, jij!' zei mijn moeder.
   'En jij ook,' zei de moeder van het enge jongetje tegen haar zoontje.
   Het enge jongetje en ik liepen samen de eetzaal uit. Boven aan dek was het koud. In de verte lag Nederland. Tegen de reling stonden de twee soldaten in de richting van het vasteland te kijken.
   'Leuk geweest?' vroeg de ene soldaat aan mij.
   'Nou?' vroeg de andere soldaat aan het enge jongetje.
   De twee soldaten en de twee jongetjes keken elkaar aan. De twee soldaten keken elkaar aan. Toen, als bij afspraak, pakten ze het enge jongetje beet, hielden hem aan zijn beentjes omhoog en lieten zijn hoofdje in een emmer met water zakken, die daar toevallig stond. Eén, twee, drie keer ging hij kopje onder, steeds langer. Ik stond erbij en keek ernaar. Angstig, tevreden, vervuld van een vreemd soort opwinding. Vervolgens lieten ze het ventje los.
   'En nou maar naar je moeder,' zei de ene soldaat.
   'En vlug,' zei de andere.
   Een ogenblik later stond het donkere dek vol met mensen. De officier sprak zijn manschappen zachtjes toe. Ik kon niet verstaan wat hij zei. In de verwarring van het ogenblik was iedereen mij vergeten. Alle aandacht was gevestigd op het enge jongetje, dat daar druipend en huilend het middelpunt stond te wezen. Ineens zag ik het meisje van veertien naar mij wenken.
   'Ga je mee naar het sloependek?' vroeg ze. 'Nee,' zei ik, met een halve erectie.
   Ik ging naar mijn hut. Uren heb ik daar gelegen, half sluimerend.
   Er klonken vreemde geluiden. Ik liep de hut uit. Het schip lag stil. De ochtend was aangebroken. Grauw licht. Op de kade stond een militaire auto. Er was een loopplank uitgezet. De twee soldaten stonden, met handboeien aan, naast de auto. Ik zag de officier, ietwat gebogen, naast hen staan. Ik hoorde hem zeggen: 'Dat hadden jullie nou niet moeten doen.' Toen stapten de jongens in. Vervolgens nam de officier plaats naast de chauffeur. Welkom in Nederland.


Voorgelezen door Diederik van Vleuten voor UitgelezenVerhalen.nl


#AnnoDeTwintigsteEeuw
#Categorie1NederlandseSchrijvers
#Lesniveau*2***

Ischa Meijer
Lees voor 🔊
De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je telefoon. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.