BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Ischa Meijer
Lees voor 🔊
     Ischa Meijer
     Messias


Zelden heb ik mijn vader zó geagiteerd gezien als die namiddag, ergens in het begin van de jaren vijftig.
   Wij woonden toen in Amsterdam-Zuid, waar iedereen woonde, die wij kenden. Nog steeds ervaar ik, diep in mijn hart, die buurt als de enige echte ter wereld. De rest is onzin; erbij gesleept; niet de moeite waard — daar wonen beklagenswaardigen, onder wie ikzelf. Nee, wie niet in Amsterdam-Zuid woont, wóónt niet.    Buiten dat Amsterdam-Zuid is de wereld één grote vergissing, een misstap, surrogaat voor die opgejaagde mensenhorde, eeuwig op zoek naar geluk, of tenminste rust; rustelozen, niet vatbaar voor rede. Hoe vaak heb ik niet deze of gene psychisch totaal in het ongerede geraakte geadviseerd om eens een kleine pelgrimage te ondernemen naar de Churchilllaan, — hoek Scheldestraat, het Pieter Lodewijk Takplantsoen of het eeuwige jachtveld rond de oude RAI. Maar de mensen willen niet weten, willen niet zien, laat staan kijken.
   Amsterdam-Zuid, dus. Een dag in 1951. Ik was acht.
   Mijn vader had zijn jas nog niet eens uit. M’n moeder stond nog in de keuken. Ik lag met buik op bed een spannend boek te lezen.
   ‘Meteen mee’, hoorde ik mijn vader roepen.
   ‘Ja, hoor es, ik ben net met de aardappelen bezig,’ riep mijn moeder.
   ‘Godallemachtig, kom nou hier,’ schreeuwde mijn vader.
   Vervolgens liep mijn moeder van de keuken naar het halletje. Dof gemompel.
   Ik ving woorden op als: totaal mesjogge en die arme vrouw en hoe moet dat nu met die kinderen. Ik spitste mijn oren, maar kon uit de flarden geen verhaal met logische verbanden opmaken.
   Even later kwam mijn moeder mijn kamertje binnen.
   ‘We moeten even weg, pappie en ik,’ zei ze. ‘We weten niet hoe laat we weer thuis zijn.’
   ‘Waar naar toe?’ vroeg ik.
   ‘Naar oom Izak,’ zei ze.
   ‘Wat is er dan?’ vroeg ik.
   ‘Oom Izak is een beetje ziek,’ zei mijn moeder. Tante Rebecca heeft ons nodig.’
   Nou, het moest wel erg met oom Izak en tante Rebecca gesteld zijn, dat ze mijn ouders nodig hadden.    Zo’n diep contact bestond er nu ook weer niet tussen de beide gezinnen. Er zou dus wel iets heel bijzonders aan de hand zijn.
   ‘Opschieten, opschieten,’ riep mijn vader op de gang. ‘De Polakjes zijn er misschien al,’ voegde hij hier waarschuwend aan toe.
   Na twee uur waren ze weer terug. Met de Polakjes, de Van Deventers, de familie Lipschitz en nog wat andere echte mensen.
   ‘En maar roepen, dat-ie ’t wis en waarachtig was,’ zei mijn vader.
   ‘Hij geloofde het echt,’ zei meneer Lipschitz.
   ‘Arme vrouw,’ lachte mevrouw Lopez Cardozo.
   ‘En die kinderen,’ mompelde mevrouw Vega.
   ‘Die twee broeders pakten ’m behoorlijk goed beet,’ peinsde Freddie Cohen, die tot voor kort nog met een schikse omging, en deshalve maar nauwelijks in sjoel kwam; misschien at-ie wel varkensvlees — maar dat alom heersende vermoeden scheen nu niet aan de orde te zijn.
   Ik zat in een hoek van de kamer. Feest, het was feest. Heel Amsterdam-Zuid zat in onze huiskamer.
   ‘De Masjieach,’ zei mijn vader zacht voor zich heen. izak, die denkt dat hij de Masjieach is. Uitgerekend Izak.’
   Zijn toon klonk tussen schamper en kwaad in. Oom Izak dacht dus dat hij de messias was. Nou, dat leek mij nog niet zo’n gekke tref. Ik had niet zo’n slechte indruk van oom Izak. Een beetje saai, maar wel aardig. Hij kneep me altijd in de wang als we met hem op sjabbat opliepen naar sjoel. Geen onaangename gedachte om door de verlosser zelf zo behandeld te zijn geweest. Ik zat goed.
   ‘De Masjieach,’ herhaalde mijn vader zacht voor zich heen. ‘Izak, uitgerekend Izak, die denkt dat hij de Masjieach is.’
   Jaloers, dacht ik; mijn vader is jaloers.
   En ik werd vervuld van een groot medelijden, te groot voor een jongetje van acht; een mededogen dat de straat op golfde, langs de Wolkenkrabber, tot in de Rijnstraat, het Merwedeplein op, een eindje de Van Ostadestraat in; een donzen deken van medegevoel, die de wijk in een halfsche- mer dompelde, dat de rust brengt, die de rechtvaardigen van node hebben en de gebrekkigen van geest gelukkig maakt, de boosaardigen tot mildheid dwingt.
   ‘De Masjieach,’ mompelde mijn vader weer, en aan zijn mond ontsnapte een kreet van sarcasme, die mij zeer wanhopig voorkwam.
   Ik keek hem aan.
   ‘Gemiste kans,’ wilde ik zeggen. Hij opende zijn mond. ‘Wanhoop niet,’ wilde ik zeggen.
   ‘En jij naar bed,’ zei mijn vader.


Uit: Een jongetje dat alles goed zou maken (2000)
Voorgelezen door Cas Enklaar voor UitgelezenVerhalen.nl


#AnnoDeTwintigsteEeuw
#Categorie1NederlandseSchrijvers
#Lesniveau**3**

Ischa Meijer
Lees voor 🔊
De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.