BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Maria Dermoût
Lees voor 🔊
     Maria Dermoût 
     De haaienvechter


Hij was niet de haaienvanger, ook niet de haaiendoder, de haaienvechter. 
   Niemand wist het rechte van hem, hij leefde zeer teruggetrokken, er werd gezegd alleen. Hij had in ieder geval geen vrouw en keek ook nooit naar een vrouw uit het dorp om, er was soms wel een kleine jongen. 
   Wie er voor hem zorgde, hoe hij aan zijn eten kwam? Hij had ergens een hut in de buurt van het strand, een eind van het dorp. 
   Waar hij zijn geld mee verdiende? Een enkele keer hield hij een haaiengevecht en daar liet hij zich goed voor betalen. Rijke vreemdelingen vooral gaven daar veel geld voor. Hij leende een grote prauw uit het dorp, de dorpelingen voor zover er plaats was, mochten voor niets kijken. Maar hij wilde er geen vrouwen bij hebben, ook geen vreemde blanke vrouwen, dat liet hij vooruit zeggen. Hij had soms een klein jongetje 
bij zich. 
   Hij wees de roeiers waar zij hem heen moesten brengen, naar altijd ongeveer dezelfde plek in de baai; het was er heel diep, zonder iets van rotsen of koraal onder water. Hij had veel noten op zijn zang, er mocht niet veel wind zijn en alleen uit een bepaalde richting. Wanneer het water niet stil en helder was kon niemand trouwens iets zien. 
   Van de stad waar de vreemdelingen woonden was het nog een eind roeien; de man zat dan alleen in de prauw, zo ver mogelijk van de anderen. Wat hij nog van kleren aan had deed hij uit, hij had alleen een kleine strakke bruine schaamgordel om en begon zich zorgvuldig van het hoofd tot de voeten met een soort olie in te wrijven, waarvan hij een flesje bij zich had. Hij gebruikte niet veel maar hij deed het met grote zorg en oplettendheid. De olie had een niet onaangename anijsachtige lucht. Terwijl hij bezig was, hield het kleine jongetje zijn mes vast. 
   Op de plek aangekomen, een tijd van tevoren al, keek hij telkens even over de boord van de prauw in de diepte. Hij wees dan precies hoe de prauw moest gaan liggen, aan welke kant er gewrikt mocht worden, dat de prauw niet op de stroom zou meedraaien, ook waarvan hij zou duiken en waar hij opkomen zou. Daar moesten een paar mannen klaar staan om hem meteen aan boord te helpen trekken, hij wees waar hij zijn handen zou leggen. 
   Hij deed alles uiterst langzaam en zorgvuldig en wachtte geduldig tot het alles precies klopte bij de anderen. Wanneer een van de mannen hem plaagde, keek hij hem alleen aan. Hij was een kleine man met smalle schouders en smalle heupen, een klein hoofd; zijn donkerbruin gebrande, enigszins leerachtige huid zat strak over de botten getrokken, nauwelijks glanzend van de olie. 
   De mannen van de prauw zeiden later dat het altijd hetzelfde was; zij lagen er nog niet lang of er was in het doorzichtig groene water links of rechts van de prauw een haai, een grote, een menseneter, en altijd maar een, altijd dezelfde, zeiden de bijgelovigen, maar dat was natuurlijk niet zo. 
   'Is gekomen,' zei de man. Hij nam zijn mes uit de handen van het jongetje en legde het plat tussen zijn tanden, beet de tanden vast en trok zijn lippen er zo ver mogelijk overheen; het mes was met het kleine handvat mee nog geen twintig centimeter lang misschien. Het gebeurde alles met dezelfde grote voorzichtigheid. 
   Dan met een kleine soepele sprong, zonder veel beweging te maken, dook hij in het water onder de vis. Een korte tijd speelden man en vis een spel. Een paar minuten doken zij langs en onder en over elkaar heen in het groene water. De vis al draaiend om eigen spil, de man meestentijds onder de vis, dan weer de rug, dan weer de buik naar beneden. 
   De man had nu het mes in de hand, keek even omhoog en met een stoot en een haal had hij de buik van de haai opengereten van onder tot boven. Tegelijk werd het water door het bloed gekleurd. De vis kronkelde en sloeg om zich heen. Daarna viel er niets meer te zien. Maar om zo te zeggen tegelijkertijd was er een kluwen van roofvissen, groot en klein, om de vis heen en rukten hem uit elkaar. 
   De man was in veiligheid. De roeiers hingen ver over de rand van de prauwen haalden hem met een vlugge beweging binnen boord, hij had het mes in de hand. Even liet hij het water van zich afdruipen, dan ging hij weer zitten waar hij het eerst gezeten had, hij keek niet eenmaal meer naar de plek waar het water nu golfde en sloeg. 
   'Als je het mes eens verloor?' 
   De man keek op, verbaasd alsof dat nooit bij hem opgekomen was.
   'Neen dat kan niet,' zei hij bijna geruststellend, 'dan zou ik niet meer met de haai kunnen vechten.' Hij wees met een duim over zijn schouder. 
   'Doe je dit allang?' 
   Hij was volkomen gaaf, van een bruine gladde gaafheid, hij was blijkbaar nooit verminkt of zelfs maar ernstig verwond. Alleen aan de buitenkant van hoog aan de heup tot over de enkel en de zool van zijn voet liep een mooi lijnrecht litteken als van een operatiewond, de kleur leek bijna wit op het bruine been. 
   Toen hij zag dat er naar gekeken werd, hief hij het been even op met een wonderlijke lenige beweging als van een danser, streek er even met een vinger langs. 
   'Van de haai ?' 
   'Ja van de haai,' zei hij, 'één keer, om te helpen herinneren.'


Uit: De sirenen, uitgeverij Querido, 1963.
Voorgelezen door Oek de Jong in De Kleine Komedie


#AnnoDeTwintigsteEeuw
#Categorie1NederlandseSchrijvers
#Lesniveau**3**
#ThemaNederlandsIndisch

Maria Dermoût
Lees voor 🔊
De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.