BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Rita Demeester
Lees voor 🔊
     Rita Demeester
     Que pasa


In H., waar R. met het geld van zijn vader een riante flat huurt, is er geen bar die hij niet kent. Dertien zijn er en kennen is zwakke taal voor wat ik bedoel. Hij is overal kind aan huis, de barmannen verwachten hem. De frequentie en ook de volgorde van zijn bezoeken zijn volstrekt voorspelbaar omdat hij houdt van het veilige gevoel dat ongestoorde regelmaat met zich meebrengt. Op de avond van zijn komst staat in Caprice of Spleen, in Fever of Ile Flottante tegen tienen zijn cocktail klaar, in iedere bar een andere, en de ober van Sombrero, een paradoxale Noorse viking, zoekt op zijn avond een plaat voor hem uit. Meestal is dat Muddy Waters.
      Hij komt alleen, hij is vierenveertig en modieus gekleed, hij draagt opvallende stropdassen met popartmotieven en heeft meestal een krant bij zich. Slecht geschoren doet hij aan Zappa denken, hij heeft dezelfde onbehouwen neus, maar zijn ogen zijn blauw. Onder zijn kin loopt een haaks litteken, een oude grap van een fietsrem.
      Er zijn vrouwen genoeg die hem willen maar de enige die ooit in zijn ogen het najagen waard leek, is jaren geleden met een ander getrouwd. Ze woont op twintig kilometer van H., in een huis waarvan alleen de buitenmuren overeind zijn gebleven.
      Binnenin is alles zorgvuldig gesloopt en schaamteloos vervangen. Als hij in een van de bars genoeg gedronken heeft, rijdt hij er in het holst van de nacht naartoe. Hij parkeert zijn auto aan de overkant en ergert zich aan wat hij zelfs in het donker kan zien: merantiramen en een brievenbus in de vorm van een buitenmaatse dobbelsteen. Hij ergert zich aan de man die daar woont, aan zijn gevoelloosheid en zijn wansmaak. Hij stelt zich voor hoe hij zijn vrouw neukt in een grenen bed en zijn hart gaat tekeer alsof hij het is die de inspanning levert.
      Vaak zit in een van de bars die de reputatie genieten dat vrouwen er met rust worden gelaten, iemand op hem te wachten, vrouwen met hun haar geverfd in de tinten van herfstbladeren, een paar jaar jonger dan hij en midden in of net herstellende van een groot verlies. Sommigen houden het maandenlang vol, maar ten slotte raakt het geduld op. Op de lange duur trouwen ze en verdwijnen. Voor de jonge meisjes die af en toe de wacht aflossen, is Zappa weinig anders dan een snuisterij, een symbool zonder marktwaarde.
      Van zijn kinderjaren herinnert hij zich vrijwel niets en hij besluit daaruit dat ze gelukkig waren. Rustig en eentonig als een weide waar enkel gras groeit. Eén keer gebeurde er iets en dat is hij nooit vergeten. Omstreeks zijn tiende verjaardag werd hij namelijk de winnaar van twee dwergkonijnen, twee bangelijke, warme wezens die hij maandenlang heeft gekoesterd en gekweld en die uiteindelijk aan zijn heerszuchtige liefde zijn bezweken. In sommige gezinnen is het winnen van een kleine prijs een memorabele gebeurtenis en uit zo'n gezin kwam hij. Maar alsof de verveling op de valreep moet worden goedgemaakt, sterft zijn vader plots en op spectaculaire wijze. Op een maandagmiddag in mei komen in een warenhuisbrand driehonderdvijfentwintig mensen om. R’s vader haat winkelen en in het bijzonder haat hij warenhuizen en alleen om zijn vrouw te plezieren haalt hij die maandagmiddag het koffieservies dat ze daar heeft zien staan en waar ze niet meer over zwijgt. Een verrassing.
      Haar schuldgevoel woekert. Eerst palmt het haar linkerborst in en als die is weggesneden, zoekt het een onderkomen in haar beenderen, een deskundige strategie, want er is geen mens die zonder geraamte overeind blijft.
      Wat haar zoon aan haar dood overhoudt, is het huis en een spaarbankboekje. Geen schandelijk hoog bedrag staat erop maar als het niet gedeeld moet worden is het ruim voldoende. Hij verhuurt het huis en neemt ontslag bij de uitgeverij waar hij twaalf jaar heeft gewerkt. Hij besluit zijn tijd niet langer te verdoen met het lezen van banale verhalen van anderen. Hij wil schrijver worden. Hij geeft zich vijf jaar. Overdag blijft hij voornamelijk in bed liggen, legt de fundamenten voor een roman, breekt die weer af, schrijft een gedicht en gebruikt het dezelfde avond nog om er een vliegtuigje van te vouwen. Hij rookt te veel. Ook drinken staat hij zich toe maar nooit vóór tien uur. En hij leest. In een hallucinant tempo leest hij de klassieken die jarenlang hebben moeten wijken voor het gepruts van debutanten. Hij leest, niet omwille van het boek maar omwille van de schrijver die hij wil worden. Eigenlijk leest hij niet, hij kijkt achter de schermen, hij laat zich niet verblinden door de radheid van de goochelaar.
      Tegen halftien neemt hij een bad, trekt een van zijn modieuze hemden aan en kiest een stropdas. Met de dwangmatigheid van een kwezel blijft hij het schema voor zijn barbezoeken trouw. Natuurlijk heeft hij zijn favorieten maar hij laat zich niet in de kaart kijken. Overal kennen ze het verhaal van zijn vader en waar hij het geld voor zijn rentenierschap vandaan haalt. Meer heeft hij niet te vertellen en om dat duidelijk te maken neemt hij zijn krant mee. Als iemand hem vraagt of hij zijn dagen gevuld krijgt en waarmee, zegt hij: 'Met lezen.' Zelfs als een mens zich tot de absolute top beperkt, is er tijd te kort. De vrouwen die hem voor een nacht mee naar huis willen nemen, houdt hij met zijn krant op een afstand. Toch zijn er die hem met een tergende hardnekkigheid belegeren. Eén keer is iemand twee uur lang nerveus rokend naast hem blijven zitten. Ze hing aan zijn lippen ook al zei hij niets. Hij hoefde niet te praten, als hij haar maar wilde kussen. Ten slotte begon ze aan een verhaal over een kwijtgespeelde liefde. Hoe merkwaardig en ondoorgrondelijk hij had geleken en hoe snel hij was verwaterd. Ze sprak in korte rukjes, alsof ze tot bekentenissen werd gedwongen, terwijl hij toch niets vroeg. Haar verspilde vertrouwen was gênant. Hij had haar laten begaan, had haar gezeur beschouwd als een noodzakelijke maar onbelangrijke reactie, zoals het getik in een radiator als hij warmloopt. Het hield vanzelf op. En toen ze zover was, vroeg hij wat ze wilde drinken. Nog een bessenjenever, de laatste. En toen die gebracht was greep hij met twee handen naar zijn slapen en begon die met cirkelende bewegingen te masseren. Hij zei dat hij echt niet meer kon. Die avond vergat hij zijn krant.
      Natuurlijk heeft hij vroeger liefjes gehad. In de Dodge van zijn vader had hij onder hun kleren getast en ze hadden hem welwillend de weg gewezen. En nergens, niet in zijn eigen bed later noch op de hoogpolige mat van zijn kantoor, heeft hij zo krampachtig genoten als toen. Naar een paar meisjes heeft hij brieven geschreven en daarin, afhankelijk van hun vrijmoedigheid, Lawrence en De Sade geciteerd en roekeloze beloften gedaan. Eén keer zelfs zijn er zilveren ringen gewisseld.
      Waarom hij niet getrouwd is? De onvermijdelijke vraag waar ze hem soms na een paar drankjes toe verlokken. Omdat vrouwen vroeg oflaat marchanderen, daarom. Op een nacht vraagt de Noor hem wat hij precies bedoelt en omdat hij de barman graag mag, zegt hij: 'Ook als ze slapen houden ze één oog open. Blijfbij me, trouw met mij, kiest. Op ieder van hun verrukte gilletjes staat een prijs, Sven. Voor mijn toegewijde extase jouw woord. Ze zijn erger dan Arabieren, jongen, ze missen logica. Wat ze willen is kooien en als de rui in de kooi zit, geven ze ons de schuld. Wat heb je met mijn liefde gedaan?'
      Uit Svens mond verwacht hij geen tegenspraak.
      Sinds drie weken loopt van bar naar bar dit gerucht; de vrouwen verspreiden het: Zappa heeft iemand, een goedkoop snolletje, maar met hersens. Een januskop. Als ze haar mond opendoet, vervaagt de ordinaire indruk die ze wekt en ze praat veel. Op de meest verwarrende onderwerpen geeft ze alerte commentaren. Volgens de goed ingelichte vrouwen is hij smoorverliefd en dus wordt ze overal en met grote nieuwsgierigheid verwacht.
      Op een woensdag maken ze hun entree in Que pasa, zij als eerste, en ze neemt ruim de tijd om het veld te overzien, duidelijk trots op de geruchten die ze heeft veroorzaakt. Daarna zoekt ze een tafel uit. Ze heeft niets goedkoops, afgunst is zelden een heldere bril. Ze heeft een fel gezicht, haar ogen en mond zijn gewikkeld in een kleurige concurrentieslag om op te vallen. Voor vijfendertigjarige vrouwen, gevangen in een rouwperiode die hooguit een grijs lijntje onder de ogen verdraagt, in zekere zin hoerig. Ze draagt een langharige, hertbruine bontjas van het type waaronder je niets verwacht en ze loopt, in weerwil van de besneeuwde straten, op hoge hakken. In de richting van de barman roept ze: 'Twee keer pina colada met veel ijs.'
      Uit haar taal valt niet op te maken waar ze vandaan komt. Haar huid heeft een hele lichte teint, bijna wit, een onopvallend decor waarin naar voren geschoven wordt wat belangrijk is: die ogen en die mond. Een opwindend masker.
      Ze zitten tegenover elkaar, hij natuurlijk zonder krant, genietend van de jaloerse verbazing die hij heeft gewekt. In zekere zin is zij de eerste en de enige, want voor de allereerste keer deelt hij met een vrouw hetzelfde doel: liefde zonder horigheid. De vrouw die zich van mooie woorden niets aantrekt, die komt en gaat, die de liefde bedrijft met de passie en de routine van de kettingrookster, de vrouw zoals hij die tot nog toe alleen maar heeft gedroomd, zij bestaat. Bovendien is ze op de hoogte.
      Zij praat terwijl hij haar bekijkt.
      Op deze woensdag praat ze over de macht van het beeld over het woord, over de folkloristische aanpak van separatisten, over wat ze daarnet heeft gezien, de Baltische staten die zich losweken, over Stal in, over zijn pact met Hitler, over de verdeling van Polen, over de prijs van een revolutie. Als ze zwijgt, is dat maar heel even, net lang genoeg om van haar glas te nippen, en ook dan is er het getik van haar hakken tegen de poten van haar stoel. Ze verliest werkelijk geen seconde in het trekken van zijn aandacht. Soms haakt hij in of stelt een vraag, maar meestal luistert hij. Hij kijkt in zijn glas en af en toe naar haar. In zijn ogen ligt de verwondering van iemand die onderweg plots merkt dat hij de verkeerde trein heeft genomen, niet richting H. maar richting Parijs.
      Maar goed. Hij heeft de tijd. Het kaartje is gekocht en als hij dan toch de verkeerde kant uit moet, het liefst naar Parijs.
      Wat blijft er van haar over als ze hem na een maand op een briefje bedankt? Het besef dat hij gelijk had: het was de mooiste tijd die hij ooit met een vrouw heeft gehad. Nog nooit werd hij zo goed begrepen. Zij schrijft hem hetzelfde, op een vel papier met daarop de naam van het exportbedrijf waarvoor ze werkt. Een gigant, ze verkopen werkelijk alles. Ik ben een hedoniste, schrijft ze, ik houd absoluut niet van drama.
      De rust die ze achterlaat komt vooral zijn roman ten goede, de plannen in zijn hoofd hebben eindelijk een vaste hand gevonden om ze uit te voeren. Hij schrijft twee hoofdstukken per week en hun kwaliteit verbaast hem.
      Zijn verhaal is het verhaal van een man die avond na avond dezelfde, ongenaakbare vrouw achternazit. Hij parkeert zijn auto tegenover haar huis en iedere avond verzint hij scenario's van haar leven, telkens een ander. Ze krijgt de meest tegenstrijdige rollen te spelen, altijd in verrassende decors. Zijn verbeelding biedt stof voor vele bladzijden, alleen voor haar eenzaamheid zoekt hij niet naar varianten.
      De man in de auto geeft niet op, hij blijft urenlang zitten, rookt wat, zet een ban je met MuddyWaters op en wacht zijn kans af.

#AnnoDeTwintigsteEeuw
#Categorie2VlaamseSchrijvers
#Lesniveau**3**
#MetVerdiepingsvragen

De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.