BulkBoek BesteKorteVerhalen (dit is een pilot)
Thomas Mann
Lees voor 🔊
     Thomas Mann 
     Hoe wij aan Bauschan gekomen zijn 


Een sympathiek gedrongen vrouwtje dat, geholpen door een stevig uit de kluiten gewassen en evenals zij zwartogige dochter, in de buurt van Tölz een berghotelletje drijft, bracht ons in kennis met Bauschans bestaan en beschikbaarheid. Dat is twee jaar geleden, en hij was toen een halfjaar oud. Anastasia - zo heet de pensionhoudster - was het niet onbekend dat wij onze Percy, een Schotse herdershond, een aristocraat die aan een onschuldige vorm van geestesziekte leed en op vergevorderde leeftijd gepijnigd en gehandicapt werd door een lelijke huidkwaal, hadden moeten laten neerschieten en sinds jaar en dag uitzagen naar een nieuwe 'waakhond. Daarom berichtte zij ons vanaf haar berg door middel van de telefoon dat er bij haar een hond in de kost en in commissie gegeven was, die aan al onze wensen zou beantwoorden en te allen tijde te bezichtigen was. 
   Dus begaven wij ons reeds de volgende middag naar Ariastasia's hooggelegen domein - de kinderen drongen aan en de nieuwsgierigheid der volwassenen deed ternauwernood voor de hunne onder - en troffen de pachteres in haar ruime, door warme en voedzame dampen doorzweefde keuken, alwaar zij, de ronde onderarmen ontbloot en haar jurk aan de hals losgeknoopt, met hoogblozend, vochtig gezicht bezig was het avondmaal voor haar pensiongasten te bereiden, waarbij haar dochter, bedaard en vlijtig af en aan lopend, haar de helpende hand bood.
   Wij werden hartelijk begroet; het vond waardering dat wij de zaak niet op de lange baan geschoven hadden maar meteen op weg waren gegaan. Wij keken vragend rond, en Resi, de dochter, bracht ons naar de keukentafel, waar zij haar handen op haar knieën stutte en enkele vleiende, bemoedigende woorden onder het blad richtte. Want daar, met een sjofel touw vastgebonden aan een tafelpoot, stond een wezen dat wij tot nog toe in het broeierige halfdonker van het vertrek niet hadden opgemerkt, maar bij welks aanblik geen mens een medelijdend gelach zou hebben kunnen onderdrukken. 
   Daar stond hij hoog en wankel op zijn poten, de staart tussen zijn achterste dijen, zijn vier voeten vlak bij elkaar, met gekromde rug te beven. Mogelijk beefde hij van angst, maar je kreeg eerder de indruk dat dit gebeurde uit gebrek aan warm vlees, want het wezen stelde niet meer voor dan een nietig geraamte, een borsttraliewerk annex wervelkolom, met haveloos vel overtrokken en op vier plaatsen gestut. Zijn oren lagen in zijn nek: een spierligging die, zoals bekend, alle licht van schrandere blijmoedigheid op een hondenfysionomie meteen doet doven en dit effect op zijn overigens nog volkomen kinderlijk gezicht dan ook zo volledig bereikte dat daarin niets anders werd uitgedrukt dan domheid en ellende alsmede een dringend verzoek om consideratie. Daar kwam nog bij dat datgene wat je nu nog altijd zijn snorrebaard of knevel zou kunnen noemen, op dat moment in verhouding veel sterker naar voren trad en een nuance van zure zwartgalligheid toevoegde aan de algehele misère van zijn uiterlijk. 
   Iedereen bukte zich voorover om dit toonbeeld van droefenis lokkende en troostende woorden toe te voegen. En dwars door het medelijdend gejuich van de kinderen heen gaf Anastasia van haar plaats bij het fornuis de nodige toelichtingen bij de persoon van haar kostganger. Voorlopig werd hij Lux genoemd, en hij was de zoon van ouders op wie niet het geringste aan te merken was, zei zij met haar aangename, bezadigde stem. Zij had de moeder persoonlijk gekend en van de vader nooit anders dan goeds vernomen.     Lux was geboortig van een boerenhofstee in Huglfing, en uitsluitend vanwege bepaalde omstandigheden waren zijn eigenaars bereid hem goedkoop af te staan. Daarom hadden zij hem dan ook bij haar ondergebracht, met het oog op het drukke verkeer in haar huize. Ze waren met hun karretje gekomen, en Lux had onvermoeibaar tussen de achterwielen gelopen, de hele twintig kilometer lang. Zij had meteen aan ons gedacht, omdat wij immers naar een goede hond uitkeken, en zij was er vrijwel zeker van dat wij tot hem zouden besluiten. We moesten het maar doen, dan was iedereen geholpen! Wij zouden beslist veel plezier aan hem beleven, hij zou van zijn kant niet langer alleen op de wereld zijn maar een comfortabel plaatsje gevonden hebben, en zij, Anastasia, zou met een gerust hart aan hem terug kunnen denken. Als wij ons maar niet door het gezicht dat hij thans trok tegen hem lieten innemen. Hij was wat ontdaan en had als gevolg van de vreemde omgeving zijn zelfvertrouwen verloren. Binnen de kortst mogelijke tijd zou echter blijken dat hij van uitzonderlijk goede ouders afstamde. 
   'Ja, maar zo goed pasten die dan toch niet bij elkaar?' 
   Toch wel; en wel in zoverre dat het allebei voortreffelijke dieren waren. In hem waren de beste eigenschappen bijeengekomen, daarvoor stond zij, juffrouw Anastasia, borg. Bovendien was hij niet verwend en stelde hij absoluut geen hoge eisen, iets wat tegenwoordig geenszins uit te vlakken was: tot nu toe had hij zich uitsluitend met aardappelschillen gevoed. Wij moesten hem nu eerst maar eens mee naar huis nemen, op zicht en zonder enige verplichting. Zij zou hem terugnemen en de bescheiden koopsom restitueren wanneer wij tot de bevinding zouden komen dat hij ons uiteindelijk niet beviel. Dat durfde ze zonder meer te zeggen, en ze was echt niet bang dat wij haar aan haar woord zouden houden. Immers, zoals zij hem kende en ons kende - dus beide partijen - was zij ervan overtuigd dat wij van hem zouden gaan houden en dat het niet bij ons zou opkomen naderhand weer van hem te scheiden. 
   Zij sprak nog enige tijd in deze trant verder, bedaard, vloeiend en innemend, terwijl ze aan het fornuis doende was en de vlammen met tussenpozen magisch voor haar oplaaiden. Ten slotte kwam zij zowaar in eigen persoon naar ons toe om Lux' bek met beide handen open te trekken en ons zijn fraaie tanden en om een of andere reden ook zijn roze, geribbelde verhemelte te tonen. De deskundig gestelde vraag of hij de stuipen al achter de rug had, verklaarde zij enigszins geprikkeld niet te kunnen beantwoorden. En wat betreft de vraag hoe groot hij zou worden, gaf ze snedig ten antwoord dat dat ongeveer zoals onze overleden Percy zou zijn. Er was nog heel wat over te doen, veel warme aanbevelingen van Anastasia's kant die versterking vonden in de voorspraak der kinderen, veel halfslachtige besluiteloosheid van de onze. Ten slotte verzochten wij om een korte bedenktijd, die ons gaarne verleend werd, en daalden peinzend af naar het dal, onderwijl onze indrukken afwegend en overdenkend. 
   Maar natuurlijk, de kinderen hadden het van dat vierbenig hoopje kommer onder de tafel te kwaad gekregen, en tevergeefs spanden wij volwassenen ons in om hun kritiekloze keuze te relativeren: ook wij voelden een brok in onze keel en zagen maar al te goed in dat het ons moeite zou kosten het beeld van de arme Lux weer uit ons geheugen te bannen. Wat zou er van hem terechtkomen als wij hem aan zijn lot overlieten? In wiens handen zou hij vallen? Voor ons geestesoog rees een mysterieuze, schrikwekkende gestalte op: de vilder, voor wiens afschuwelijke toeleg wij Percy indertijd gered hadden met een paar ridderlijke kogels van de geweermaker en een eerlijk graf aan de rand van onze tuin. Hadden wij Lux willen overlaten aan een onzeker en wellicht gruwelijk lot, dan hadden wij ons er ook voor moeten hoeden kennis met hem te maken en zijn kindergezicht, compleet met snorrebaard en knevel, te bestuderen; nu wij eenmaal op de hoogte waren van zijn existentie, scheen er een    verantwoording op ons te rusten, die wij moeilijk en niet dan geforceerd hadden kunnen ontkennen. Zo kwam het dat reeds de derde dag ons andermaal die bescheiden uitloper van de Alpen zag beklimmen. Niet dat wij tot de aanschaf besloten hadden, maar wij zagen heel goed in, zoals de zaken ervoor stonden, dat een andere afloop nauwelijks denkbaar was. 
   Dit keer zaten Anastasia en haar dochter aan de smalle zijden van de keukentafel tegenover elkaar koffie te drinken. Tussen hen in, voor de tafel, zat hij die de voorlopige naam Lux droeg - zat er reeds helemaal zoals hij vandaag de dag pleegt te zitten, de schouderbladen boers gedraaid en de poten naar binnen geplaatst, en tussen zijn afgedragen leren halsband zat een bosje veldbloemen, hetgeen zijn uiterlijk in bepaald feestelijke zin ten goede kwam en hem enigszins het voorkomen verleende van een dorpsjongen in ondernemende zondags stemming of een landelijke bruiloftsgast. De jongste van de beide vrouwen, die er zelf op haar paasbest uitzag in haar traditionele keurslijfje, had hem daarmee getooid ter gelegenheid van zijn intocht in zijn nieuwe tehuis, zoals zij zei. En moeder en dochter verzekerden ons dat zij er geen moment aan getwijfeld hadden dat wij terug zouden komen om onze Lux af te halen, en wel uitgerekend vandaag. 
   Aldus bleek meteen bij onze binnenkomst iedere vorm van verdere discussie onmogelijk en uitgesloten. Anastasia bedankte op haar innemende wijze voor de koopsom die wij haar overhandigden, en die tien mark bedroeg. Het was duidelijk dat zij die ons meer in ons eigen belang dan in het hare of dat van de boerenfamilie gevraagd had: om de arme Lux namelijk in onze gedachten een positieve, becijferbare waarde te verlenen. Wij begrepen dit en voldeden het bedrag met genoegen. Het touw waarmee Lux aan de tafelpoot zat vastgebonden werd losgemaakt en mij in handen gegeven, en onze aftocht over de keuken drempel van juffrouw Anastasia ging vergezeld van de hartelijkste wensen en beloften. 
   De ongeveer een uur in beslag nemende thuisweg die wij met onze nieuwe huisgenoot aflegden, was geen triomftocht, te meer omdat de bruiloftsgast bij alle consternatie zijn ruikertje algauw kwijtraakte. In de blikken van hen die wij op onze tocht tegenkwamen, lazen wij weliswaar hartelijkheid, maar ook spottende geringschatting, en de gelegenheid daartoe werd vermenigvuldigd naarmate wij door plaatsen kwamen waar markt gehouden werd, en wel hoe langer hoe meer. Ten overvloede was al gauw gebleken dat Lux, waarschijnlijk reeds sedert enige tijd, aan diarree leed, hetgeen ons frequent noopte tot een oponthoud onder de ogen der stedelingen. Wij stonden dan in een beschermende kring om zijn vertederende rampspoed heen, terwijl wij ons afvroegen of het hier niet reeds de bedenkelijke symptomen van de stuipen betrof - een nutteloze bezorgdheid, zoals de toekomst leerde, die trouwens toch in alle opzichten openbaarde dat wij met een reine en robuuste natuur te doen hadden, die tot op de dag van vandaag in laatste instantie immuun is gebleken voor besmetting en ziekte. 
   Zodra wij gearriveerd waren, werden de dienstmeisjes ontboden om met de nieuwe aanwinst voor het huishouden kennis te maken en eventueel ook hun bescheiden goedkeuring over hem uit te spreken. Het was goed te zien dat zij aanstalten maakten tot bewondering; maar nadat zij hem in ogenschouw genomen hadden en een blik op onze weifelmoedige gezichten hadden geworpen, begonnen zij hartelijk te lachen, draaiden de hond met zijn treurige kijkers de rug toe en maakten afwerende handgebaren in zijn richting. Hierdoor gestijfd in de onzekerheid of er bij hen begrip verondersteld mocht worden voor de menslievende zin der onkosten die Anastasia ons in rekening gebracht had, verklaarden wij tegenover hen dat wij de hond cadeau gekregen hadden, en namen Lux mee naar de veranda om hem een uit voedzame kliekjes samengestelde welkomstmaaltijd aan te bieden. 
   Uit kleinmoedigheid raakte hij er niets van aan. Goed, hij besnuffelde de lekkere hapjes, maar bleef verder angstvallig op een afstand, buiten staat zich op te werken tot het geloof dat kaaskorstjes en kippenbouten inderdaad voor hem bestemd konden zijn. Het met zeegras gevulde jute kussen daarentegen dat op de vloer voor hem was klaargelegd om het zich gemakkelijk op te maken, sloeg hij niet af en hij legde zich daarop te rusten met ingetrokken poten terwijl in de kamers binnen overleg gepleegd werd en een besluit genomen over de naam die hij in de toekomst dragen zou. 
   Ook de dag daarop nog weigerde hij te eten, en toen volgde er een periode waarin hij zonder maat of onderscheid te betrachten alles verslond wat hem maar voor de bek kwam, tot hij uiteindelijk in zaken de consumptie betreffende, zich een rustige regelmaat en waardige selectiviteit wist eigen te maken. Hiermee is het proces van zijn gewenning en inburgering in grote lijnen geschetst. Ik zal mij niet te buiten gaan aan een al te getrouwe schildering van dit proces. Het werd eenmaal onderbroken doordat wij Bauschan tijdelijk kwijtraakten: de kinderen hadden hem meegenomen naar de tuin, de lijn losgemaakt om hem bewegingsvrijheid te gunnen, en in een onbewaakt ogenblik was hij via de lage opening tussen het tuinhek en de grond de wijde wereld in geglipt. Zijn verdwijning gaf aanleiding tot ontsteltenis en droefheid, tenminste binnen de enge grenzen van het gezin, want de dienstmeisjes waren geneigd het verlies van een gegeven hond schouderophalend te begroeten of wilden het zelfs niet als zodanig erkennen. De telefoon speelde een stormachtige rol tussen ons en Anastasia's berghotelletje, waar wij hoopvol vermoedden dat hij zijn toevlucht gezocht had. Tevergeefs, daar had hij zich niet laten zien; en er moesten twee dagen verstrijken, voordat de juffrouw ons kon melden dat zij bericht had ontvangen uit Huglfing: anderhalf uur geleden was Lux op de boerenhofstee van zijn herkomst opgedoken. Ja, hij was er, het idealisme van zijn instinct had hem weer naar de wereld der aardappelschillen getrokken en hem de twintig kilometer gaans, die hij eens tussen de wielen had afgelegd, andermaal doen overwinnen, in eerzame dagmarsen, bij weer en wind! Dus moesten zijn voormalige eigenaars opnieuw hun karretje rijklaar maken en hem om te beginnen aan Anastasia's zorgen toevertrouwen, en na verloop van nogmaals twee dagen waren wij weer aan de beurt om de verloren zoon af te halen. 
   Wij vonden hem aan de tafelpoot vastgebonden als tevoren, verfomfaaid en afgejakkerd, bespat met het slijk der landwegen. En warempel, hij gaf tekenen van herkenning en van vreugde toen hij ons in het vizier kreeg! Maar waarom had hij ons dan verlaten? 
   Er kwam een tijd dat duidelijk werd dat hij de boerenhofstee weliswaar uit zijn hoofd had gezet maar toch bij ons nog niet helemaal wortel geschoten had, zodat hij diep in zijn hart geen baas had op deze wereld en geleek op een blad dat dwarrelt in de wind. In die tijd moest je tijdens wandelingen goed op hem letten, omdat hij maar al te zeer de neiging had de zwakke, sympathetische band tussen hemzelf en ons ongemerkt stuk te scheuren en in de bossen onder te duiken, waar hij ongetwijfeld krachtens een levenswijze van zelfstandige omzwervingen afgezakt zou zijn tot het niveau van zijn barbaarse voorouders.     Onze goede zorgen bewaarden hem voor dit duistere lot en hielden hem onveranderlijk op de hoge trap van beschaving waar zijn soortgenoten in de loop van duizenden jaren toe opgeklommen zijn, aan de zijde van de mens; en ten slotte droeg een ingrijpende plaatsverandering, onze verhuizing naar de stad, of liever gezegd de buitenwijk, er met één klap veel toe bij dat hij zich ondubbelzinnig op ons aangewezen ging voelen en onmiskenbaar bij ons huishouden ging horen. 


#AnnoGoudVanOud
#Categorie4EuropeseSchrijvers
#Lesniveau***4*
#ThemaDierenverhalen

Thomas Mann
Lees voor 🔊
De mooiste verhalen uit Nederland en de wereld op je tablet, telefoon of notebook. Met dank aan de Nederlandse Taalunie.